|

Fotoreportage van
deze dienst
|
Tekstlezing Psalm 42: 3b ` (zoals gelezen door ds Ross, Boxtel, 20 december 1812)
Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezigt verschijnen.
Psalm 84: 11a (zoals gelezen door ds Van Aaken, Tilburg, 4 mei 1823)
Want een dag in uwe voorhoven is beter, dan duizend elders.
Tekstuitleg. (De predikantenhoed hangt aan de knop.)
1. De tijd verglijdt. Zoals in deze zandloper, in bruikleen van de protestantse gemeente Sint-Michielsgestel. Wie preekt moet op de tijd letten. Kijkt u mee?
Wie waren erbij, in 1812, het jaar waarin dit kerkgebouw in gebruik waren genomen?
In ieder geval de burgemeester – Maire deser Cantons-Plaats – het was een protestant - hij was was tevens ouderling - A.F. Speelman. Predikanten uit omliggende gemeenten. Gemeenteleden, die werkten in de nieuwe papierfabriek, en hun directeur. Onderwijzers van de Franse Kostschool. Dat een priester van de parochie toen aanwezig was, lijkt mij ondenkbaar, maar wel een vertegenwoordiging uit de plaats Boxtel, niet nader aangeduid. Ds Ross, die de dienst leidde. Ds Van Aaken, die hier kennelijk ook zijn diensten verleende en die later kort predikant van Boxtel was. Toen deze Van Aaken later in predikant in Tilburg was, preekte hij bij de inwijding van het nieuwe kerkgebouw dáár. Die preek is bewaard, daarvan hoort u straks een deel.
2. Tijd. Wat is goed bestede tijd?
De Psalmverzen die beide predikanten kozen, pasten zij toe op de openbare godsdienstoefening, dát waar je een kerkgebouw voor nodig hebt. In 2012 zijn we hierbij dankbaar voor dit gebouw,
twee eeuwen lang een ruimte voor ons om God te ontmoeten. Steeds wacht het om ons te ontvangen, wel gefundeerd, goed onderhouden, liefgehad door velen. Steeds kunnen wij hier binnengaan en voor God verschijnen.
De psalmverzen gaan ook over tijd: Eén dag daar te zijn is beter dan duizend elders.
Tijd besteed in aanwezigheid van God is goed bestede tijd.
En: ‘Wanneer zal ik ingaan’, de dichter kán niet gaan, maar verlangt ernaar. Ooit, als de ruïne is herbouwd, ooit als er vrede is, ooit, als ik weer gezond ben. Na verloop van tijd.
3. Tijd. Een moment als vandaag raakt aan ons historisch besef.
In de maanden van voorbereiding zeiden gemeenteleden tegen mij:
- dat zal wel een lange preek worden. Dat klopt, vreselijk lang. En een donderpreek? Ik heb ontdekt dat die gedaan werd aan het einde van de prediking, de z.g. toepassing.
- Iemand anders zei: Corrie je moet wel een snorretje opplakken. Iedereen realiseert zich een lastige kwestie. Ik heb die anders opgelost. (Predikant zet predikantenhoed op) Het blijft lastig, want de vrouw houdt in de kerk de hoed op, de man zet deze af.
Ons historisch besef, hoe kijken we aan tegen de geschiedenis. Straks, in de eerste nadere ontvouwing, zal ik aanstippen: de strijd om de godsdienst, vrouwen in de kerk. En om ons historische besef te verdiepen zal ik ook voordragen uit de preek van ds Van Aaken, uit 1923.
- Gaan we op hele noten zingen en een preek met tussenzang?
De muziek uit 1812 was veel gevarieerder, dat merken we vandaag, let maar op de liederen uit die tijd, met vriendelijke vloeiende melodieën. Maar toch gaan we het één keer proberen, de hele noten, vanwege het lied van de reformatie dat ook vermeld is op de gevelsteen van deze kerk. Probeert u even de strijdlustige toon te verdragen. Een vaste burg.
Nadere ontvouwing door de predikant met predikantenhoed.
De zandloper wordt gekeerd.
1. Godsdienst als Strijdtoneel
Politieke strijd en godsdienstige strijd zijn steeds met elkaar verweven geweest.
In de streek rond Boxtel zijn de gedachten van dominee Stephanus Hanewinckel bekend ( 1766-1856). Zijn Meierij-boeken vestigden zijn reputatie als ‘papenvreter’. Wat hij schreef is te beschamend om hier voor te lezen, hij staat in een traditie van schermutselingen tussen katholieken en protestanten. Ons historisch besef daarvan verandert met de tijd.
Wij hebben hier in Boxtel een kogelgat, figuurlijk gesproken. Op 29 november 1648 werd de predikant D. Aelstius jr. bedreigd in zijn pastorie, waarbij een kogel door zijn raam werd afgevuurd.
Het bericht daarover hangt nog steeds ingelijst in de Schakel en wij koesteren op deze manier een avontuurlijk verleden. Deze geschiedenis is hard toe aan her-interpretatie. Wat doe je een bevolkingsgroep aan, de katholieken, wanneer je haar de openbare beoefening belemmert, zoals de protestanten de katholieken hebben gedaan! Hoe was het voor hen, toen hen de toegang werd ontzegd tot het huis, waarin zij op zoveel manieren Gods aangezicht hadden gezocht. Geen wonder dat daar reuring van komt! Zo’n ervaring van achterstelling komt in ons collectieve geheugen.
In 1717 moesten de zusters Clarissen hier in deze straat hun huis verlaten, na reeds diverse malen belemmerd te zijn in hun ontwikkeling. De preekstoel waarop ik sta is waarschijnlijk in rond 1800 gesloopt uit een klooster dat door Napoleon gesloten werd, zoals bijvoorbeeld het minderbroedersklooster in Antwerpen. Na enkele aanpassingen is het hier in de kerk geplaatst.
Ik denk dat de Protestantse Gemeente Boxtel er goed aan doet dat verslag over dat kogelgat niet te koesteren, maar te begrijpen in de bredere historische context en het dan wellicht op te bergen. Er is gevochten en gelukkig strijden we niet meer. Het strijdtoneel wordt een ruimte van ontmoeting.
2. Vrouwen
De vrouwen in kerk en theologie zitten nog niet goed in ons collectieve geheugen, hoewel al vanaf 1911 vrouwen werkzaam zijn als predikant.
Vanaf de middeleeuwen zijn schrijvende vrouwen bekend:
Elisabeth Kreuziger (1500-1535) Gez 158, de eerste dichteres van de reformatie, uit de vriendenkring van Luther.
Anna Maria Schuurman (1607-1678), de eerste studente van heel Europa. In 1635 volgde zij colleges theologie in Utrecht, verborgen achter een gordijn.
Van de tijd rond 1812 zijn enkele liederen van vrouwen bekend:
Clara F. van Raesfelt-Van Sytzama (1729-1807) schreef Gez. 231, een dame van adel, die is beïnvloed door het piëtisme.
Petronella Moens ( 1762-1843) schreef Gez. 432, een blinde dichteres die haar liederen dicteerde aan een secretaresse. Zij bepleitte het vrouwen-kiesrecht en sprak zich uit tegen de slavernij.
Liever dan een snorretje te laten groeien, treed ik in hun voetsporen.
Hun nagedachtenis zij tot zegen.
3. Hoe werd er gedacht? Hoe werd er gepreekt?
Hier spreekt mijn ambtsbroeder uit de 19 e eeuw, de eerwaarde van Aaken (1823), over de godsdienstoefening, dat wil zeggen de kerkdiensten. De predikantenhoed hangt op de knop.
Waarde Toehoorders!
Bij onze godsdienstige oefeningen, worden wij overgebragt van uit de onrust en wisselingen der wereld in het aangenaam genot van kalmte en bestendigheid; laat dit, in de derde plaats, ons de genoegens van den openbaren godsdienst bewijzen. Alles, wat ons hier omringt, verandert en vergaat. De bloemen, die nog heden ons in verrukking houden opgetogen, zullen morgen ons het droevig beeld der vergankelijkheid, met verwelkte bladeren, voorstellen. Het licht van de heldersten morgen word ligtelijk, door opkomende buijen, verdonkerd, of verliest ten laatste zich zekerlijk bij de donkerheid des vallenden avonds. Opkomen, voortgaan en sterven, ziet daar het lot van alles, wat ons hier bejegent, en ook van ons zelve!
Hooger, hooger moeten onze uitzigten gericht zijn, zullen wij hier warelijk te vrede zijn, en met een opgeruimd gemoed het tegenwoordige leven ten einde toe genieten. Dan moeten onze gedachten zich gedurig wenden naar den hoge, en, bij het geloof aan de onveranderlijke liefde en wijsheid des Hemelschen Vaders, ook de vaste hope eener onvergangelijke zaligheid in ons voelen oprijzen.
(…) daar leren wij stil en gelaten blijven, bij elken schok, die den draad van ons geluk in deze tijd afbreekt;
(…) Wanneer toch aller oogen naar den Hemel gerigt zijn, wordt ook onze geest vlug gemaakt, en door eene aangename opwekking en zachte medewerking opwaarts getrokken.
Mijne Geliefden!
daar is het ons vergund de schrik der gedurige verwoestingen te ontwijken en bij de verhevenste beschouwingen met een effen gelaat elkanderen toe te roepen:
Rust, o ziel! uw God is koning, Heel de wereld zijn gebied;
Alles wisselt op zijn’ wenken, Maar hij zelf verandert niet.
Wij zingen een lied met oude en nieuwe woorden: Rust mijn ziel, uw God is koning.
Nadere ontvouwing (4-6) door predikant met predikantenhoed.
4. De voordelen van de godsdienstoefening?
Wat voor toon slaat hij aan, ambtsbroeder van Aaken in 1823? Hij lijkt mij een zachtaardige, vriendelijke persoon, ik vermoed in hem de vroomheid van het pietisme, want hij spreekt over edele gevoelens, over onze geest die omhoog getild kan worden, over heiligmaking van het leven. Maar hij is niet alleen vroom, hij is ook wetenschapsman, in een voetnoot citeert hijwetenschappelijk onderzoek. De invloed van de nieuwe tijd!
Hij praat met uitroeptekens: Helaas! Ja! Gelukkig!
Waarde Toehoorders! Mijne hoorders! Mijne Geliefden …
Een lange preek is het wel, 55 kleine bladzijden, ik schat ruim een uur.
Hij bespreekt de genoegens van gemeenschappelijke Godsdienstoefening, in 6 punten,
het derde punt heb ik daarnet verkort – voorgedragen, namelijk: door haar komen wij tot het genot van kalmte en tevredenheid.
Nu komen we tot zijn andere 5 punten:
1. zij verheft de menselijke geest naar God
2. zij verschaft ons eene heilzame verpoosing van onzen aardschen arbeid.
4. zij stemt ons tot ware broederliefde
5. zij dringt op eene innemende wijze tot verbeetering en heiliging (we worden een beter mens)
6. zij verzekert ons in onze roeping voor de hemel.
Uit zijn tweede punt.
(Hoed af)
“De gemeenschappelijk oefening onzes Godsdienst verschaft ons een heilzame verpoosing van onzen aardschen arbeid. De mensch, zoo als hij veelal met zorg en moeite wordt overladen, moet van tijd tot tijd verwisseling hebben, verademing naar geest en ligchaam genieten. De boog moet ook ontspannen worden, zal hij zijne veerkracht behouden en bij het gebruik het doel kunnen beschieten (…).”
“In de godsdienstige ogenblikken rijst dan onze ziel, op de galm der heilige liederen opwaarts, en gevoelt zich liefelijk aangedaan van zalige verrukkingen.”
(Hoed op) De man hield van zingen!
Zo legt hij het uit ‘Een dag o God! in uw voorhoven is beter, dan duizend elders.’
5. Het huis van God, huis van ontmoeting.
Bij de inwijding van deze kerk, in 1812 koos ds Ross voor de tekst
Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezigt verschijnen.
Ingaan, dat duidde hij ongetwijfeld als het binnengaan in het huis van de eredienst, hier, deze kerk.
Een verlangen spreekt uit dit vers: een huis als plaats om God te ontmoeten, geraakt en bijgestuurd te worden.
6. De toepassing: Van uw predikant, met een knipoog naar 1812, met hoed. De zandloper wordt de laatste maal gekeerd.
Hóe zullen wij ingaan? Het schikken der herendassen, het sierlijk ornament der vrouwen, de poffer en de zijden hoed, het silhouet van lijf en leden, onnodig te zeggen dat alle tekenen van uiterlijk vertoon ons kunnen afleiden van de ware godsdienst.
Als wij onszelf stoffen en doffen, poetsen wij dan ook aan onze ziel?
Als wij terugkeren van onze spiegels en kleedkamers,
hebben wij dan evenveel aandacht gehad voor de aankleding van onze innerlijke mens?
Groot zijn de gevaren van het uiterlijk vertoon.
Moge de hemel ons genadig zijn en ons hart verlichten.
Gelukkig, Mijne Geliefden, gelukkig bedekt de sier niet ons gezicht,
zodat wij hier in dit huis elkaar kunnen groeten en ontmoeten.
Gelukkig, Waarde Toehoorders, bedekt de sier niet ons hart,
zodat wij werkelijk kunnen ingaan in dit huis van God,
zoals de psalm zegt
Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezigt verschijnen.
Amen.
(Klik hier om een fotoreportage van deze dag te bekijken, in de fotoreportage is met toestemming van het Brabants Dagblad het over deze dienst verschenen artikel overgenomen)
|
|